De achtergrond van de zaak
PJ heeft een aanvraag voor een EU-merk ingediend voor het werkmerk “Erdmann & Rossi”. Vervolgens heeft Erdmann & Rossi de nietigverklaring van het merk gevorderd op grond van artikel 59, lid 1, sub b, van de Merkenverordening 2017/1001Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het merk van de Europese Unie. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wees de vordering tot nietigverklaring in haar geheel af. Erdmann & Rossi heeft vervolgens beroep ingesteld bij het EUIPO. De vierde kamer van beroep van het EUIPO verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de beslissing van de nietigheidsafdeling.
PJ stelde een beroep tot nietigverklaring in bij het Gerecht. Het beroep was ondertekend door S., optredend als advocaat. Het EUIPO heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op grond van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bovendien deelde het EUIPO het Gerecht mee dat het litigieuze merk op 28 februari 2017 was ingeschreven onder de nieuwe houder ervan, PC.
Het Gerecht merkte op dat PJ, medeoprichter en een van de twee vennoten van advocatenkantoor “Z”, de heer S, die het kantoor vertegenwoordigde, had belast met de behandeling van de zaak voor het Gerecht. Het advocatenkantoor, een société civile professionnelle (maatschap), had een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid ten opzichte van PJ en de beslissingen werden met eenparigheid van stemmen genomen. Vanwege deze nauwe band verklaarde het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk, waarbij het opmerkte dat het inleidende verzoekschrift niet was ondertekend door een onafhankelijke advocaat.
Het Gerecht oordeelde dat PJ moet worden vertegenwoordigd door een advocaat die het wettelijke recht heeft om voor een rechterlijke instantie van een lidstaat te verschijnen. PJ en PC stelden elk beroep in bij het Hof van Justitie. Deze hogere voorziening heeft betrekking op het procedurele vereiste van vertegenwoordiging door een onafhankelijke raadsman krachtens artikel 19 van het StatuutProtocol [nr. 3] betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het oordeel
Onder verwijzing naar precedenten als AM&S (C-155/79) en Akzo Nobel (C-550/07 P) verduidelijkt het HvJ dat het begrip 'onafhankelijkheid' van een advocaat. Dit begrip vindt zijn oorsprong in de context van de vertrouwelijkheid van documenten in mededingingszaken en de vertrouwelijkheidsverplichtingen die de advocatuur in acht neemt. De betekenis van dit concept is geëvolueerd in termen van vertegenwoordiging voor het Hof van Justitie. Dit begrip draait nu vooral om de bescherming van de belangen van de cliënt met inachtneming van de wettelijke en beroepsregels en gedragscodes (Uniwersytet Wroclawski tegen REA (C-515/17 P, C-561/17 P)).
Het Hof benadrukt dat het vereiste van onafhankelijkheid van advocaten (in de specifieke context van artikel 19 van het StatuutProtocol [nr. 3] betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie zowel negatieve elementen (het ontbreken van een arbeidsverhouding) als positieve elementen (het naleven van beroepsethische verplichtingen) omvat. Het Hof benadrukt dat de onafhankelijkheid van een advocaat impliceert dat er geen arbeidsrelatie bestaat tussen de advocaat en de cliënt. Bij het definiëren van het positieve aspect van de 'onafhankelijkheid' van een advocaat. Het Hof benadrukt dat advocaten geen banden mogen hebben die een effectieve vertegenwoordiging duidelijk belemmeren en dat zij geen banden mogen hebben die de verdediging van het belang van de cliënt binnen de wettelijke en professionele normen belemmeren.
Het Hof merkt wel op dat de relatie van de advocaat met zijn advocatenkantoor of partner niet automatisch de onafhankelijkheid teniet doet (paragraaf 78). Het Hof stelt echter dat “hoewel een advocaat die medewerker is in een advocatenkantoor in beginsel wordt vermoed te voldoen aan de onafhankelijkheidsvereisten in de zin van artikel 19 van het StatuutProtocol [nr. 3] betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zelfs indien hij zijn functie uitoefent op basis van een arbeidsovereenkomst of in een andere ondergeschikte verhouding, dient toch een onderscheid te worden gemaakt naargelang van de situatie van de vertegenwoordigde cliënt.” (punt 80).
Verder concludeert het Hof ten slotte: “Terwijl de situatie waarin de cliënt een natuurlijke persoon of rechtspersoon is die een derde is ten opzichte van het advocatenkantoor waarin de betrokken medewerker zijn functie uitoefent, geen bijzonder onafhankelijkheidsprobleem voor hem oplevert, ligt dit namelijk anders voor de situatie waarin de cliënt, een natuurlijke persoon, zelf medevennoot en oprichter van het advocatenkantoor is en daardoor daadwerkelijk controle kan uitoefenen over de medewerker. In die laatste situatie moet worden aangenomen dat de banden tussen de advocaat-medewerker en de vennoot-cliënt van dien aard zijn dat zij de onafhankelijkheid van de advocaat kennelijk aantasten." (punt 81).